JU R I S P R U D E N C E
8 5 4 R . D . C . 2 0 0 5 / 8 – O C T O B R E 2 0 0 5 L A R C I E R
H O F V A N C A S S A T I E 2 A P R I L 2004
VERZEKERING
Verzekeringsovereenkomst – Verplichtingen in hoofde van de verzekeraar – Uitsluiting van de waarborg – Bedrog of zware fout van de verzekeringnemer – Opzettelijk veroorzaakt schadegeval – Bewijslast – Artikel 8 lid 1 Wet Landverzekeringsovereenkomst De verzekeraar die beweert van dekking bevrijd te zijn, moet met toepassing van artikel 1315 lid 2 B.W. bewijzen dat de verzekerde een opzettelijke daad heeft begaan die hem het voordeel van de verzekering ontzegt. Het arrest dat oordeelt dat de verzekerden moeten bewijzen dat de brand het feit van een derde was die zonder hun medeweten en zonder instruc- ties van hunnentwege heeft gehandeld, schendt artikel 1315 lid 2 B.W.
ASSURANCE
Contrat d’assurance – Obligations dans le chef de l’assureur – Exclusion de la garantie – Dol ou faute lourde du preneur d’assurance – Sinistre causé intentionnellement – Charge de la preuve – Article 8 alinéa 1er de la loi contrat assurance terrestre
L’assureur qui prétend être déchargé de la garantie est tenu, en vertu de l’article 1315 alinéa 2 C.civ. de prouver que l’assuré a commis un fait intentionnel qui le prive du béné- fice de l’assurance. L’arrêt qui considère que les assurés doivent prouver que l’incendie était le fait d’un tiers, qui a agi à leur insu et sans instruction de leur part, viole l’article de 1315 alinéa 2 C.civ.
BVBA Le Monseu, M.L./Fortis AG, AXA Belgium en NV Brasserie Demarche Zet.: Cl. Parmentier (voorzitter), Ch. Storck, D. Batselé, A. Fettweis en S. Velu (raadsheren)
O.M.: X. De Riemaecker (advocaat-generaal) Pl.: Mrs. J. Kirkpatrick en F. T' Kint
IV. Beslissing van het Hof Eerste onderdeel
Overwegende dat artikel 1315 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat degene die de uitvoering van een ver- bintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen, en dat het tweede lid bepaalt dat, daarentegen, degene die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft ver- oorzaakt; dat artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek slechts de veralgemening is van de in voornoemd artikel 1315 neergelegde regel;
Overwegende dat de verzekeraar, ingevolge artikel 8 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, niettegenstaande enig andersluidend beding, niet verplicht kan worden dekking te geven aan degene die het schadege- val opzettelijk veroorzaakt;
Overwegende dat de verzekeraar die beweert van dekking bevrijd te zijn, met toepassing van artikel 1315 tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, moet bewijzen dat de verze- kerde een opzettelijke daad heeft begaan die hem het voor- deel van de verzekering ontzegt;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat een brand het gebouw van de eerste eiseres heeft verwoest en de inboedel van de tweede eiseres heeft vernietigd, dat zij hun respec- tieve risico’s hadden laten verzekeren bij de eerste twee ver- weersters en dat die brand opzettelijk was aangestoken;
Dat het arrest oordeelt dat de eiseressen moeten bewijzen dat de brand “het feit van een derde (was) die zonder hun mede- weten en zonder instructies van hunnentwege heeft gehan- deld”;
Dat het arrest aldus de in het middel aangewezen wetsbepa- lingen schendt;
Dat het onderdeel gegrond is.
De overige grieven
Overwegende dat er geen grond bestaat tot onderzoek van de overige onderdelen die niet tot ruimere cassatie kunnen lei- den;
(...)
RDC-TBH-2005_8.book Page 854 Tuesday, October 4, 2005 4:25 PM