• Aucun résultat trouvé

Dossier Confinement

N/A
N/A
Protected

Academic year: 2022

Partager "Dossier Confinement"

Copied!
23
0
0

Texte intégral

(1)

Dossier

Confinement

Nederlands - Mevrouw Irbik & Mevrouw Kurtoglu

(2)

Ik stel me voor

Waar woon je?

Wie ben je?

Hoe oud ben je?

Wat is je naam?

EEN NIEUW SCHOOLJAAR

(3)

1) Kan je tellen? Tot hoeveel?

1: 16: 40:

2: 17: 50:

3: 18: 60:

4: 19: 70:

5: 20: 80:

6: 21: 90:

7: 22: 100:

8: 23: 1000:

9: 24: 2000:

10: 25: 2020:

11: 26:

12: 27:

13: 28:

14: 29:

15: 30:

2) Wat zijn de 7 dagen van de week?

……….. ……….. ……….. ……….. ……….. ……….. ………..

ð Wat is je lievelingsdag? ………

(4)

3) Wat zijn de 12 maanden van het jaar

Wat is je lievelingsmaand? ………

Wat is je lievelingsseizoen? ………

4) De 11 basiskleuren

……….. ……….. ……….. ……….. ……….. ……….. ………..

……….. ……….. ……….. ………..

(5)

5) Schoolspullen en schoolgerief

a) Wat heb je voor Nederlands nodig?

b) Verbind de woorden met de beelden van de volgende pagina

(6)
(7)

6) Schoolvakken

7) Leg uit, wat heb je voor de les … nodig?

- Voor de les wiskunde heb ik ……… nodig.

- Voor de les Frans heb ik ……… nodig.

- Voor de les LO heb ik ……… nodig.

- Voor de les PO heb ik ……… nodig.

- Frans - Engels

- Lichamelijke opvoeding - Plastische

opvoeding - Aardrijskunde - Geschiedenis - Wiskunde - Nederlands - Technologische

opvoeding - Godsdienst - Wetenschappen

(8)

8) Hoe gaat het met je? Met mij goed!!

Heel goed !

Redelijk/

Min of meer:/

Niet zo erg goed/

Hellemaal niet goed !

Dag allemaal, hoe gaat het vandaag ? Hoe voel je je ?

Wat scheelt er ?/ Wat is er aan de

hand ?/ Waarom ?

(9)

9) Je humeur en stemming. Verbind en vul de zinnen in

1) verliefd – 2) boos – 3) blij – 4) ziek – 5) goed – 6) vrolijk – 7) droevig/verdrietig – 8) moe – 9) heel goed – 10) nerveus/ gestresseerd

(10)

10) Klasinstructies

Verbind de beelden met de instructies

(1) Doe het licht uit – (2) werk per twee – (3) Neem je pen – (4) luister – (5) Schrijf – (6) steek je vinger op – (7) doe je boek dicht – (8) kijk naar het bord – (9) ga zitten – (10) stilte/zwijg – (11) doe je boek open – (12) sta op – (13) herhaal – (14) doe het licht aan –

(15) neem je klasagenda

(11)

a) Pronoms personnels sujet:

Ik Je

Je Tu

Hij/Ze Il/Elle

We Nous

Jullie Vous

Ze Ils/Elles

U Vous

(forme polie)

Ø Tu reçois le message suivant par courrier électronique. Malheureusement, l’ordinateur a quelques problèmes et certains mots n’apparaissent pas à l’écran. Complète le message Goeiedag

〇 Anneke en 〇 zoek een vriend of een vriendin.

〇 ben twaalf. Ik heb twee zussen. 〇 heten Mia en Greetje.

Ik heb ook een broer. 〇 heet Karel en is 5 jaar.

〇 wonen in Limburg, niet ver van de stad Hasselt.

〇 spreken Nederlands thuis.

Heb 〇 ook broers of zussen? Waar wonen 〇? Mail vlug terug?

Anneke!

EEN NIEUWE VRIEND

………. ……….

………. ……….

………. ……….

……….

……….

………. ……….

………. ……….

(12)

b) Waar woon je?

1) Provincies

Comment nommes-tu les provinces ci dessous:

Brabant flamand Brabant wallon Anvers

Flandre occidentale Flandre orientale Hainaut

Limburg Luxembourg Namur Liège

(13)

2) Waar woon je?

Lorsque l’on parle de notre lieu d’habitation, il faut toujours commencer par les infos les plus générales puis entrer petit à petit dans les détails.

Ik woon in België, in Wallonië. Ik woon in de gemeente1 van Couvin.

Dat ligt op het platteland, in de provincie Namen. Ik woon in een rustig dorp. Mijn huis ligt in het centrum, dichtbij de school, niet ver van de kerk.

En jij? Waar woon je? Leg uit.

c) Stamboom en familie

1) Dit is de Simpson familie. Lisa vertelt over haar familie. Zoek alle woorden.

Ik ben Lisa. Dit is mijn familie. Mijn zusje heet Maggie en mijn broer heet Bart. Mijn ouders zijn Homer en Marge. Mijn moeder heeft twee zussen. Ze zijn een tweeling. Mijn tantes zijn Patty en Selma. Selma heeft een dochter, Ling. Ling is dus mijn nicht. Ik heb geen neven. Mijn vader heeft een halfbroer. Zijn naam is Herb. Hij is de zoon van Abraham. Mijn grootouders aan de kant van mijn moeder zijn Clancy en Jackie. Mijn grootmoeder aan de kant van mijn vader is Mona.

2) Wat betekenen deze woorden?

Zus: Broer: Dochter: Zoon: Ouders:

Nicht: Neef: Tweeling: Tante: Halfbroer:

Halfzus: Oom: Grootouders: Grootmoeder: Grootvader:

Meisje2: Jongen Kind(eren)

1 De gemeente = la commune

(14)

3) Bechrijf je familie

(15)

d) Hebben en zijn 1) Vul in I.

- Loes ……….. 13 jaar. Ze ……….. gek op dieren. (fou de) - Thuis ……….. ze veel dieren.

- Luk ……….. de broer van Loes.

- Hij ……….. ook 13 jaar.

- Hij ……….. gek op computers.

- Luk en Loes ……….. een computer thuis.

- Ik ……….. geen computer - Jullie ……….. een auto.

- Ik ……….. een gsm.

- Tom ……….. drie broers.

- De lerares ……….. in de klas.

- U ……….. zeker de heer Van Dik.

- Je ……….. vijf foto’s van je familie.

- Moeder en vader ……….. drie kinderen.

- Wie ……….. je?

- Het ……….. vijf uur.

- Oma ……….. twee katten en één hond.

II.

Leerling: ……… u meneer De Jonge, onze leraar Frans?

Leraar: Nee, ik ……….. meneer de Jonghe met een “h”.

Leerling: Ah, en waar ………….. meneer De Jonghe zonder “h”?

Nu ………….. we Franse les maar hij ………. Er niet.

Leraar: Wacht even. Er ……… drie De Jonges hier.

Ik …………. De Jonghe, leraar Engels.

Daar ……… Frank De Jong, leraar Nederlands.

En daar ………. Je Dirk De Jonge, leraar Frans.

Leerling: Eh…. Dank u wel meneer…eh…

(16)

e) Les règles d’orthographe

Pour savoir si un son se orononce long ou court, ou pour savoir si le mot ou le verbe s’écrit avec une ou deux voyelles, il suffit de retenir le tableau suivant:

Syllabe ouverte Syllabe fermée

SON LONG 1 voyelle 2 voyelles

SON COURT IMPOSSIBLE 1 voyelle

1) On coupe le mot en syllabes:

- Devant la consonne s’il y a une seule consonne ð SPE / LEN

- Entre deux consonnes s’il y en a plusieurs ð BOR / DEN

MAIS: Ne pas couper lorsqu’il s’agit d’un son “ch” ou “sch”

2) On regarde si on a une syllabe fermée ou ouverte - Une syllabe fermée se termine avec une consonne

ð ZWEM / MEN

- Une syllabe ouverte se termine avec une voyelle ð SLA / PEN

3) On écoute, si on a un son long ou un son court 4) On consulte le tableau

- Si son long et syllabe ouverte = 1 voyelle - Si son long et syllabe fermée = 2 voyelles - Si son court et syllabe fermée = 1 voyelle Quelques règles pratiques:

1. Un son long reste long. Un son court reste court.

Il n’y a quasi aucune exception (!!! komen > kom !!!)

2. Une syllabe ne peut JAMAIS se terminer par une double voyelle ou consonne.

3. Je double la consonne finale pour garder un son court (dans une syllabe fermée).

ð De les > de lessen Oefeningen

(17)

1. Note le radical des infinitifs suivants:

Ex: schrijven > schrijf

a. Acteren ……….

b. Dragen ……….

c. Kiezen ……….

d. Leven ……….

e. Wonen ……….

f. Lezen ……….

g. Geven ……….

h. Duren ……….

i. Eten ……….

j. Zwemmen ……….

k. Bakken ……….

l. Hebben ……….

m. Zitten ……….

n. Heten ……….

o. Lopen ……….

p. Delen ……….

q. Nemen ……….

r. durven ……….

2. Sépare en syllabes et justifie la voyelle en gras Ex: scho – len, syllabe ouverte, son long

(18)

- Vlaming ………..

- ze loopt ………..

- lezen ………..

- beginnen ………..

- lessen ………..

3. Complète

- Un ou deux “o”

Grand: gr………t – grand (accordé): gr………te – beau: m………i – entendre: h………ren – j’entends: ik h………r – l’été: z………mer – il court: hij l………pt – rouge: r………d

- Un ou deux “a”

Aller: g………n – vas-tu?: g……… je? – mon nom: mijn n………m – Namur: N………men – une fenêtre: een r………m – deux fenêtres: twee r………men

- Un ou deux “u”

Mur: m………r – bisou: k………s – coussin: k………ssen – soeur: z………s – minutes:

min………ten – minute: min………t – Bruxelles: Br………ssel

- Un ou deux “e”

Parler: spr………ken – je m’appelle: ik h………t – vous vous appelez: jullie h………ten – avoir: h………bben – nager: zw………mmen – elle dit: ze z………gt – ils disent: ze z………ggen

(19)

f) L’indicatif présent

Ik Radical Ik werk

Je Radical + t Je werkt

Je (qui vient après le verbe) Radical sans t Werk je?

Hij/Ze/Het Radical + t Hij werkt

We – Jullie – Ze Infinitif We/Jullie/Ze werken

U Radical + t U werkt

Remarque:

Pour les verbes se terminant par “aan” (staan, gaan) ou “oen” (doen):

1re p. sg: Ik sta Ik ga Ik doe

2ème p. sg: Je staat/ sta je Je gaat/ ga je Je doet/ doe je 1. Conjugue les verbes entre parenthèses au présent

Twintig jongens en meisjes (zoeken) hun vrienden. ……….

Soetkin (nemen) haar lijst. Ze (zoeken) Emiel. ……….

……….

Arthur (nemen) ook zijn lijst. Hij (zoeken) Elien. ……….

……….

Céline (wonen) in Wallonië. Alex en Yannick (wonen) in Brussel. ……….

……….

Ze (heten) Naël. ……….

Ze (wonen) in Delft. Dat (liggen) in Nederland. ……….

……….

Arthur (zoeken) Elien. ……….

(20)

Ik (heten) Jasper. Ik (zijn) 12 jaar. ……….

……….

Sara (worden) 10 in mei. ……….

We (wonen) in Amsterdam. ……….

2. Rédige ces phrases en néerlandais

- Dis que Tessa habite à la campagne

………

- Dis que Kasper aime la musique

………

- Demande à tes copains s’ils habitent en ville

………

- Dis que ton frère aura 15 ans en mai

………

- Dis que tu aimes manger des bonbons

………

(21)

OP HET SECRETARIAAT VAN DE SCHOOL

(22)

a) Een paar vragen over je school:

In welke afdeling zit je? ………..

In welke graad zit je? ………..

In welke jaar zit je? ………..

In welke klas zit je? ………..

Wat is de beroep van je vader? ………..

Wat is de beroep van je moeder? ………..

Wat wil je later worden? ………..

Welke richting volg je? ………..

Wat heb je voor de les wiskunde nodig? ………..

Wat heb je voor de les geschiedenis nodig? ………..

Wat heb je voor de les LO nodig? ………..

Wat heb je voor de les Nederlands nodig? ………..

Hoe kom je naar school? ………..

Wat is je lievelingsvak? ………..

Wie is je klastitularis? ………..

Wie is je leraar Frans? ………..

Wie geeft je les LO? ………..

(23)

b) Identiteitskaarten

Stel een lijst vragen, beantwoord deze vragen

………

………

……….

.………

………

……….

.………

………

……….

……… .

………

……….

.………

………

……….

.………

………

……….

. ………

………

……….

.………

………

……….

.………

………

……….

.

Références

Documents relatifs

[r]

Mots à repérer Informations en français concernant ces activités. Lever Verre Haie

Ik spreek Italiaans met mijn ouders, Frans met mijn familie en Nederlands met mijn vrienden!. Ik ben gek

a) Morgen zie ik mijn vrienden terug. Relie les phrases avec “omdat”. a) Ik ken niemand in mijn school.. Ik ben

Si c’est indiqué, note également le nom des membres de sa famille et leur âge en chiffres.. Robert(oom) Michaël (oom) Jan (vader) 40 + Estelle

Tu tombes sur cette page où tu pourras d’abord regarder la vidéo de ton professeur et ensuite lire bien attentivement les consignes.... Il te suffit de cliquer sur le bouton caméra

Tu tombes sur cette page où tu pourras d’abord regarder la vidéo de ton professeur et ensuite lire bien attentivement les consignes.. Prépare d’abord bien ton texte en

Mijn ouders zijn niet getrouwd, maar wonen al zestien jaar samen.. Ik heb veel contact met