AC T U A L I T E I T
L A R C I E R T . B . H . 2 0 1 5 / 7 – S E P T E M B E R 2 0 1 5 7 4 5
van de obligatielening, de niet-nakoming van de informa- tie- en toezichtverplichtingen en de prospectusaanspra- kelijkheid.
Ten derde stelt het Hof dat artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad aldus moet worden uitgelegd dat het van toepas- sing is op een vordering waarmee de emittent van een certificaat aansprakelijk wordt gesteld voor het prospec- tus voor dit certificaat en wegens niet-nakoming van andere op die emittent rustende informatieverplichtin- gen, voor zover deze aansprakelijkheid niet berust op een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5, 1. van dezelfde verordening. De gerechten van de woon- plaats van de verzoeker zijn volgens het Hof bevoegd om van deze vordering kennis te nemen, onder meer wan- neer de beweerde schade zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van de verzoeker bij een in het rechts- gebied van die gerechten gevestigde bank.
R.F.
Hof van Justitie van de Europese Unie 26 februari 2015
Bogdan Matei, Ioana Ofelia Matei / SC Volksbank România SA
Zaak: C-143/13
CONSUMENTENRECHT
Europees recht – Consumentenkrediet – Algemeen – Oneerlijke bedingen
DROIT DE LA CONSOMMATION
Droit européen – Crédit à la consommation – Généralités – Clauses abusives
Het Hof van Justitie is in dit arrest van mening dat in artikel 4, 2. van richtlijn nr. 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten de begrippen “eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” en
“gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten” niet slaan op de soorten bedin- gen in kredietovereenkomsten tussen verkopers en con- sumenten die de kredietgever onder bepaalde voor- waarden machtigen de rentevoet eenzijdig te wijzigen, en de bedingen die voorzien in een “risicoprovisie” voor de kredietgever.
Het komt volgens het Hof aan de verwijzende rechter toe om de juistheid van de kwalificatie van dergelijke bedin- gen te beoordelen, rekening houdend met de aard, de algehele opzet en de voorwaarden van de betrokken overeenkomsten, alsook de juridische en feitelijke con- text van deze bedingen.
R.F. en J.D.
Hof van Justitie van de Europese Unie 9 maart 2015 Deutsche Börse AG / Europese Commissie en Icap Securi- ties Ltd
Zaak: T-175/12 FINANCIEEL RECHT
Financiële markten – Algemeen – Mededinging (Euro- pees) – Concentraties
DROIT FINANCIER
Marchés financiers – Généralités – Concurrence (droit européen) – Concentrations
De Europese Commissie verklaarde in haar beslissing C(2012)440 final de beoogde fusie tussen Deutsche Börse en NYSE Euronext onverenigbaar met de interne markt, met name wat de markt voor diensten in verband met handel en clearing van beursverhandelde derivaten betreft omdat de fusie zou hebben geleid tot het ontstaan van een bijna-monopoliepositie in de betrokken rele- vante markten. In het voormelde arrest wijst het Hof van Justitie het beroep tegen de beslissing C(2012)440 final volledig af, zodat de beoogde fusie onverenigbaar blijft met de interne markt en in het bijzonder artikel 2, 3. van verordening nr. 139/2004.
J.D.
Hof van Justitie 11 maart 2015
Jean-Bernard Lafonta / Autorité des marchés financiers Zaak: C-628/13
FINANCIEEL RECHT
Financiële markten – Marktmisbruik – Voorwetenschap – Begrip “concrete informatie”
DROIT FINANCIER
Marchés financiers – Abus de marché – Information pri- vilégiée – Notion « information concrète »
De Franse Cour de cassation stelde een prejudiciële vraag naar aanleiding van een besluit van de Franse Autorité des marchés financiers (AMF) waarbij een ven- nootschap en diens voorzitter van de raad van bestuur werden veroordeeld tot een geldboete omdat de laatste bepaalde informatie over een financiële transactie die de vennootschap zou toelaten een participatie te verwerven in een andere vennootschapsgroep, niet openbaar had gemaakt.
Het Hof van Justitie oordeelde in deze zaak dat artikel 1, 1. van richtlijn nr. 2003/6/EG (de “richtlijn marktmis- bruik”) en artikel 1, 1. van richtlijn nr. 2003/124/EG tot uitvoering van de richtlijn marktmisbruik, dusdanig moeten worden uitgelegd dat zij niet voorschrijven dat informatie enkel als concrete informatie kan worden beschouwd indien daaruit met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden afgeleid in welke zin de koers van de betrokken financiële instrumenten mogelij- kerwijze zal worden beïnvloed zodra zij openbaar zal worden gemaakt. Ter onderbouwing van het beroep
AC T U A L I T É
7 4 6 R . D . C . 2 0 1 5 / 7 – S E P T E M B R E 2 0 1 5 L A R C I E R
tegen de beslissing van de AMF werd aangehaald dat een situatie of een gebeurtenis slechts concreet is in de zin van de toepasselijke bepalingen van Frans recht indien de houder van deze informatie op basis hiervan kan voorzien in welke richting de koers van het betrokken effect zal evolueren (stijging of daling) wanneer deze informatie openbaar wordt gemaakt. Deze redenering wordt niet weerhouden en er wordt aan herinnerd dat het onderscheidende criterium tussen concrete en niet- concrete informatie is of zij invloed kan uitoefenen op de markt.
R.F.
3. V
ENNOOTSCHAPSRECHT/D
ROITDESSOCIÉTÉS
David Haex en Helene Tijskens
5Rechtspraak/Jurisprudence
Hof van Cassatie 2 april 2015 Zaak: C.14.0281.F
VENNOOTSCHAPPEN
Naamloze vennootschap – Kapitaal – Algemeen – Verlies van maatschappelijk kapitaal – Misbruik van recht SOCIÉTÉS
Société anonyme – Capital – Généralités – Perte du capi- tal social – Abus de droit
Artikel 634 Wetboek van vennootschappen bepaalt dat iedere belanghebbende de ontbinding van een NV voor de rechtbank kan vorderen wanneer het nettoactief gedaald is tot beneden 61.500 EUR. De rechtbank kan aan de vennootschap een termijn toestaan om dergelijke toestand te regulariseren. In casu werd de ontbinding van de vennootschap gevorderd door een schuldeiser met als strategisch doel, aldus het hof van beroep te Luik, druk te kunnen uitoefenen op de vennootschapschulde- naar in het kader van een arbitrage die tussen partijen hangende was6.
Het Hof van Cassatie bevestigt dat opdat een vordering op basis van artikel 634 W.Venn. ingesteld kan worden, de eiser een belang moet aantonen overeenkomstig de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek. Bovendien mag dergelijke vordering op basis van artikel 634 W.Venn.
geen misbruik van recht uitmaken. De eiser die de vorde- ring tot ontbinding had ingesteld, had voor het Hof aan- gevoerd dat artikel 634 W.Venn. van openbare orde is en
bijgevolg niet onderhevig zou zijn aan rechtsmisbruik.
Het Hof van Cassatie stelt dat misbruik van recht ook kan bestaan indien het ingeroepen recht van openbare orde of dwingend recht is. De rechter die gevat wordt op basis van artikel 634 W.Venn. zal bijgevolg moeten nagaan of de vordering legitiem is en niet het voorwerp uitmaakt van rechtsmisbruik.
Hof van Cassatie 8 mei 2015 Zaak: C.14.0248.N
VENNOOTSCHAPPEN
Naamloze vennootschap – Oprichting – Oprichtersaan- sprakelijkheid – Verbintenissen in naam van een ven- nootschap in oprichting
SOCIÉTÉS
Société anonyme – Constitution – Responsabilité des fondateurs – Engagements pris au nom d’une société en formation
Volgens artikel 60 W.Venn. zijn, tenzij anders is overeen- gekomen, zij die in naam van een vennootschap in oprichting en vooraleer deze rechtspersoonlijkheid heeft verkregen, in enigerlei hoedanigheid een verbinte- nis hebben aangegaan, persoonlijk en hoofdelijk aan- sprakelijk, behalve wanneer de vennootschap binnen 2 jaar na het ontstaan van de verbintenis het in artikel 68 W.Venn. bedoelde uittreksel heeft neergelegd en zij bovendien die verbintenis binnen 2 maanden na voor- melde neerlegging heeft overgenomen. In dit laatste geval wordt de verbintenis geacht van het begin af door de vennootschap te zijn aangegaan.
In casu ging een promotor een aantal verbintenissen aan in naam van de vennootschap in oprichting en stelde in verband met deze verbintenissen enkele rechtshandelin- gen, inclusief de aankoop van een onroerend goed. De overname van deze verbintenissen door de vennoot- schap bevrijdt de promotor van deze verbintenissen. Bij- gevolg wordt de promotor geacht nooit eigenaar te zijn geweest van de in naam van de vennootschap in oprich- ting verworven onroerende goederen.
Deze bevrijding heeft volgens het Hof van Cassatie tot gevolg dat zakelijke rechten door de promotor toege- staan op het onroerend goed, alsook beslagen gelegd op het goed door de schuldeisers van de promotor, zullen vervallen indien uitdrukkelijk melding wordt gemaakt op de aankoopakte overgeschreven op het hypotheek- kantoor dat de aankoop gedaan werd in naam van de vennootschap in oprichting.
5. Advocaten te Brussel.
6. Zie Actualiteit in TBH 2014, p. 720-721.