JU R I S P R U D E N C E
7 8 4 R . D . C . 2 0 1 3 / 8 – O C T O B R E 2 0 1 3 L A R C I E R
H O F V A N C A S S A T I E 7 J U N I 2012
FAILLISSEMENT
Beheer van het faillissement – Kosten en ereloon van de curator
De kosten en erelonen van de curator voor het beheer van het faillissement zijn geen kosten die verband houden met de rechtspleging die aanleiding heeft gegeven tot het faillisse- ment of met de rechtspleging die leidt tot de latere intrekking ervan. Die kosten en erelonen van de curator zijn derhalve geen gedingkosten in de zin van de artikelen 1017 en 1018 Gerechtelijk Wetboek.
De uitvoering van een op vordering van een schuldeiser uit- gesproken faillissementsvonnis gebeurt niet in opdracht van die schuldeiser, maar van de curator die voor alle schuld- eisers in de boedel optreedt. De kosten en het ereloon van de curator die verband houden met de uitvoering van een later ingetrokken faillissementsvonnis kunnen enkel door de ex- gefailleerde worden verhaald op de schuldeiser indien de handelwijze van de laatstgenoemde lichtvaardig was.
FAILLITE
Administration de la faillite – Frais et honoraires du curateur
Les frais et honoraires du curateur pour la gestion de la faillite ne constituent pas des frais qui ont trait à la procé- dure qui a donné lieu à la faillite ou à la procédure qui a donné lieu à sa rétractation ultérieure. Ces frais et honorai- res du curateur ne constituent, dès lors, pas des dépens au sens des articles 1017 et 1018 du Code judiciaire.
L’exécution d’un jugement déclaratif de faillite prononcé à la demande d’un créancier n’a pas lieu sur ordre de ce créancier mais du curateur qui agit pour tous les créanciers dans la masse. L’ex-failli ne peut réclamer au créancier les frais et honoraires du curateur qui ont trait à l’exécution d’un jugement déclaratif de faillite ultérieurement rétracté que si ce créancier a agi de manière irréfléchie.
Rijksdienst voor Sociale Zekerheid / A. Cleyman, advocaat, voormalige curator faillissement Thames Estate NV en L.
D’Hooghe, advocaat, curator faillissement Thames Estate NV
Zet.: E. Dirix (afdelingsvoorzitter), B. Deconinck, A. Smetryns, K. Mestdagh en G. Jocqué (raadsheren) OM: A. Van Ingelgem (advocaat-generaal met opdracht)
Pl.: Mrs. A. De Bruyn en J. Verbist
I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen de tussenarresten van het hof van beroep te Gent van 3 oktober 2005 en 15 februari 2010 en het eindarrest van 8 november 2010.
Advocaat-generaal met opdracht A. Van Ingelgem heeft op 17 april 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Afdelingsvoorzitter E. Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht A. Van Ingelgem heeft geconcludeerd.
II. Cassatiemiddel
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. Beslissing van het Hof Beoordeling
Eerste onderdeel
1. De relevante passage van het beschikkend gedeelte van het tussenarrest van 3 oktober 2005 luidt als volgt:
“Trekt het faillissement van Thames Estate NV in,
Legt de gedingkosten lastens [de eiser], begroot:
– in hoofde van [Thames Estate NV] op:
– 259,77 EUR dagvaarding/rolstelling verzetsprocedure – 178,48 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg – 186 EUR rolrecht hoger beroep
– 237,98 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep – in hoofde van [de eerste verweerder] op: P.M.”
2. De appelrechters die in het tussenarrest van 15 februari 2010 oordelen dat de gedingkosten, waarover het tussenar- rest van 3 oktober 2005 oordeelt, ook de erelonen en kosten van de curator q.q. omvatten, geven van die akte een uitleg die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is en mis- kennen zodoende de bewijskracht ervan.
Het onderdeel is gegrond.
Zesde onderdeel
3. Krachtens artikel 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij
RE C H T S P R A A K
L A R C I E R T . B . H . 2 0 1 3 / 8 – O K T O B E R 2 0 1 3 7 8 5
in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.
Artikel 1018 Gerechtelijk Wetboek geeft een niet-limita- tieve opsomming van de gedingkosten. Als gedingkosten kunnen slechts worden aangemerkt de kosten die verband houden met het voeren van een procedure.
4. De kosten en erelonen van de curator voor het beheer van het faillissement zijn geen kosten die verband houden met de rechtspleging die aanleiding heeft gegeven tot het faillisse- ment of met de rechtspleging die leidt tot de latere intrekking ervan.
Die kosten en erelonen van de curator zijn derhalve geen gedingkosten in de zin van de artikelen 1017 en 1018 Gerechtelijk Wetboek.
5. De uitvoering van een op vordering van een schuldeiser uitgesproken faillissementsvonnis gebeurt niet in opdracht van die schuldeiser, maar van de curator die voor alle schuld- eisers in de boedel optreedt.
De kosten en het ereloon van de curator die verband houden met de uitvoering van een later ingetrokken faillissements- vonnis kunnen enkel door de ex-gefailleerde worden ver- haald op de schuldeiser indien de handelwijze van de laatst- genoemde lichtvaardig was.
6. De appelrechters die in het tussenarrest van 15 februari 2010 oordelen dat de kosten en erelonen van de curator die verband houden met de uitvoering van het faillissements- vonnis gedingkosten zijn en deze kosten ten laste leggen van de eiser zonder te onderzoeken of zijn handelwijze lichtvaar- dig was, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.
Derde, vierde, vijfde en zevende onderdeel
7. Anders dan de onderdelen aanvoeren, beslist het tussen- arrest van 3 oktober 2005 niet dat de kosten en de erelonen van de eerste verweerder die verband houden met de uitvoe- ring van een faillissementsvonnis dat later werd ingetrokken ten laste van de eiser worden gelegd.
De onderdelen berusten op een verkeerde lezing van het tus- senarrest van 3 oktober 2005 en missen mitsdien feitelijke grondslag.
Omvang van cassatie
8. De vernietiging van het tussenarrest van 15 februari 2010 strekt zich uit tot het eindarrest van 8 november 2010, dat een gevolg ervan is.
Dictum Het Hof,
Vernietigt de bestreden arresten van 15 februari 2010 en 8 november 2010.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde arresten.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
(...)
Noot
De gevolgen van een ingetrokken faillissement Arie Van Hoe
11. De eigenheid van de faillissementsprocedure vereist dat een vonnis van faillietverklaring bij voorraad en op de minuut uitvoerbaar is (art. 14, eerste lid Faill.W.). Tegen een vonnis van faillietverklaring kunnen rechtsmiddelen worden ingesteld. Het kan aldus voorkomen dat een faillissement na verloop van tijd ingetrokken wordt. Dan rijst de vraag wie de financiële gevolgen van het (ingetrokken) faillissement dient te dragen2. Zo ook in de zaak die aanleiding gaf tot het besproken arrest.
2. De NV T.E. (“schuldenaar”) werd failliet verklaard op dagvaarding van de RSZ (“schuldeiser”). Bij tussenarrest van 3 oktober 2005 werd het faillissement van de schulde- naar ingetrokken, en werden de gedingkosten lastens de schuldeiser gelegd. Het tussenarrest van 15 februari 2010 oordeelde vervolgens dat de gedingkosten (ook) de erelonen en kosten van de curator q.q. (“voormalige curator”) omvat- ten. Het cassatieberoep was gericht tegen de tussenarresten van 3 oktober 2005 en van 15 februari 2010, evenals tegen
1. Onderneming & Recht, Universiteit Antwerpen.
2. De handelaar die schade heeft geleden door het (ingetrokken) faillissementsvonnis kan (pogen) zijn schade (te) verhalen op de schadeverwekker op grond van art. 1382 BW, voor zover de toepassingsvoorwaarden van deze wetsbepaling voldaan zijn: H. GEINGER, Ch. VAN BUGGENHOUT en C. VAN HEUVERSWYN, “Overzicht van rechtspraak. Het faillissement en het gerechtelijk akkoord (1990-1995)”, TPR 1996, (909) 972, nr. 84. Op deze moge- lijkheid wordt niet ingegaan, daar deze in het hier besproken arrest niet rechtstreeks ter discussie stond (zie evenwel, conclusie Adv.-Gen. m.o. VAN INGELGEM bij Cass. 7 juni 2012, www.juridat.be, nr. 8).