JU R I S P R U D E N C E
5 4 0 R . D . C . 2 0 1 0 / 6 – J U I N 2 0 1 0 L A R C I E R
I
NSOLVENTIE/ I
NSOLVABILITÉH O F V A N B E RO E P A N T W E R P E N 3 D E C E M B E R 2009
CONTINUITEIT VAN DE ONDERNEMINGEN Gerechtelijke reorganisatie – Algemeen – Opening van de procedure – Neerlegging van de vereiste stukken – Ontvankelijkheid
Artikel 41, § 2, WCO bepaalt dat, wanneer de schuldenaar de in artikel 17, § 2, 1°-9°, bepaalde stukken niet heeft neer- gelegd binnen een termijn van veertien dagen, de rechtbank ambtshalve kan beslissen de procedure van gerechtelijke reorganisatie te beëindigen na de middelen van schuldenaar en het verslag van de gedelegeerd rechter te hebben gehoord.
Dit houdt in dat de rechtbank de procedure van gerechtelijke reorganisatie kan toestaan, zelfs indien nog niet alle stukken vereist door artikel 17, § 2, 1° tot 9°, zijn neergelegd.
Het verzoek is ontvankelijk, doch ongegrond.
CONTINUITE DE L’ENTREPRISE
Réorganisation judiciaire – Général – Ouverture de la procédure – Dépôt des pièces requises – Recevabilité L’article 41, § 2, de la loi relative à la continuité des entre- prises (LCE) dispose que si le débiteur n’a pas déposé les pièces visées à l’article 17, § 2, 1° à 9°, dans les quatorze jours du dépôt de sa requête, le tribunal peut statuer d’office sur la fin de la procédure de réorganisation judiciaire après avoir entendu le débiteur en ses moyens et le juge délégué en son rapport.
Cela signifie que le tribunal peut accorder la procédure de la réorganisation judiciaire, même si les pièces exigées par l’article 17, § 2, 1° à 9°, ne sont pas encore toutes déposées.
La demande est recevable, mais non fondée.
M. De Wit
Zet.: J. Embrechts (raadsheer)
1. De antecedenten en de vorderingen
Mevrouw De Wit heeft op 25 september 2009 een verzoek- schrift tot gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord neergelegd.
Met het bestreden vonnis d.d. 19 oktober 2009 heeft de rechtbank van koophandel te Tongeren de vordering onont- vankelijk verklaard omdat “de wettelijk voorziene stukken niet worden bijgebracht en voor zover ze worden voorge- bracht, niet voldoen aan de gestelde eisen”.
Met een op 27 oktober 2009 neergelegd verzoekschrift heeft mevrouw De Wit hoger beroep ingesteld. Zij vraagt dat haar vordering gegrond zou worden verklaard.
2. Beoordeling
2.1. Artikel 17 van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen (hierna: WCO) somt de stukken op die bij het verzoekschrift dienen gevoegd.
De eerste rechter heeft er terecht op gewezen dat de twee recentste aangiften in de personenbelasting die, krachtens artikel 17, § 2, 4°, samen met het verzoekschrift dienen neer- gelegd, niet werden voorgebracht. Dit is ook nu nog niet het geval. Onterecht werpt mevrouw De Wit op dat deze ver- plichting niet op haar van toepassing zou zijn omdat zij haar huidige handelszaak slechts sedert begin 2008 uitbaat en haar belastingaangifte AJ 2009 omwille van de tussenkomst van een boekhouder slechts op 31 oktober 2009 diende inge-
diend. Enerzijds heeft de wetgever geen uitzondering gemaakt ten aanzien van handelaars die hun uitbating recent hadden opgestart; anderzijds blijven deze vorige aangiften nuttig, omdat mevrouw De Wit uiteenzet dat zij reeds een bakkerij uitbaatte vooraleer zij haar huidige handelszaak overnam. Ten slotte beperkt zij zich er ook nu nog toe enkel de bijlage bij haar aangifte AJ 2009 voor te leggen, en niet de aangifte zelf.
Eveneens terecht heeft de eerste rechter erop gewezen dat geen boekhoudkundige staat van actief en passief wordt bij- gebracht, evenmin als een resultatenrekening voorligt. In dit verband wijst het hof erop dat mevrouw De Wit geniet van een forfaitair belastingstelsel. De berekening van de fiscale forfaits vervangt geen resultatenrekening, die de werkelijke resultaten moet bevatten. Het ontbreken daaraan brengt ook mee dat de prognoseberekening op geen enkele wijze kan worden getoetst.
Ten slotte heeft de eerste rechter er terecht op gewezen dat geen volledige lijst van schuldeisers werd neergelegd, wat hieruit blijkt dat de gedelegeerd rechter aanzienlijke schul- den detecteerde waarvan geen melding werd gemaakt.
Mevrouw De Wit maakt gewag van een lijst van schuldeisers die naar de rechtbank zou zijn gefaxt, doch dit stuk bevindt zich niet in het dossier van de rechtspleging. Zij brengt deze lijst nu bij haar dossier bij, maar het valt op dat, andermaal, deze lijst niet alle schuldeisers bevat die in het verslag van de gedelegeerd rechter zijn opgenomen. Daaruit dient beslo-
RE C H T S P R A A K
L A R C I E R T . B . H . 2 0 1 0 / 6 – J U N I 2 0 1 0 5 4 1
ten dat de gegevens die mevrouw De Wit verstrekt niet betrouwbaar zijn.
2.2. Artikel 41, § 2, WCO bepaalt dat, wanneer de schulde- naar de in artikel 17, § 2, 1°-9°, bepaalde stukken niet heeft neergelegd binnen een termijn van veertien dagen, de recht- bank ambtshalve kan beslissen de procedure van gerechte- lijke reorganisatie te beëindigen na de middelen van de schuldenaar en het verslag van de gedelegeerd rechter te hebben gehoord, en, in voorkomend geval, de werknemers of hun vertegenwoordigers die hadden moeten gehoord wor- den in toepassing van de wettelijke of conventionele ver- plichtingen tot inlichting en raadpleging van die werkne- mers.
De eerste rechter heeft op de noodzaak tot een eventuele beëindiging geanticipeerd door de zaak op de zitting van 5 oktober 2009 (hetzij binnen de 10 dagen na neerlegging van het verzoekschrift) een week uit te stellen, teneinde mevrouw De Wit in de gelegenheid te stellen alsnog de ont- brekende stukken voor te leggen. Nu op 12 oktober 2009 (hetzij na het verstrijken van de termijn van veertien dagen)
werd vastgesteld dat de vereiste stukken nog steeds ontbra- ken, heeft de eerste rechter terecht vastgesteld dat het ver- zoek niet kon worden ingewilligd.
Om deze redenen:
Het hof, na behandeling in raadkamer,
Rechtdoende op eenzijdig verzoekschrift in afwezigheid van mevrouw De Wit;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Gehoord substituut-procureur-generaal D. Schoeters in zijn advies dat, omwille van de omstandigheden der zaak monde- ling ter terechtzitting van 26 november 2009 werd gegeven.
Verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis, met de enkele wijziging dat het verzoek ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard.
Laat de kosten van het hoger beroep ten laste van mevrouw De Wit.
(…)
Noot
Zie noot Melissa Vanmeenen, p. 544. Voy. aussi note Melissa Vanmeenen, p. 544.