Dans ce dossier sont repris la plupart des thèmes vus au cours de cette année
scolaire. Aide-toi de ton manuel au besoin. Bon travail !
TRAVAIL DE VACANCES
Néerlandais
Mme Feguigui
GRAMMATICA
De beknopte bijzin – La proposition infinitive de but : om … te
Pour + infinitif
se traduit par
OM ….….…..…..…..…. TE + infinitif.
Hij neemt geld om naar de winkel te gaan.
Remarques :
Quand on commence une phrase par une infinitive, on fait l’inversion dans la proposition qui suit. (c’est logique: la proposition infinitive de but est considérée comme un groupe complément et le verbe d’une principale est toujours en 2ème position)
Om naar de winkel te gaan, neemt hij geld.
le TE sépare la particule de son verbe.
Ik heb geen geld om je terug te betalen.
quand il y a plusieurs infinitifs, ils se mettent en fin de proposition, et dans l’ordre du français. Le TE se place avant le 1er des infinitifs.
Hij werkt snel om naar de bioscoop te kunnen gaan.
OM introduit la subordonnée infinitive de but
TE+ infinitif se met en fin de
proposition.
GRAMMATICA
La proposition infinitive avec ou sans TE
La proposition infinitive avec TE
En général, quand , en français, on a : à ou de + infinitif
on a en néerlandais : te + infinitif
(qui se trouve en fin de proposition.) Hij beslist onmiddellijk te vertrekken.
Ze vergeet de bakker te betalen.
Ik ben blij met je kennis te maken.
La proposition infinitive sans TE
Voici la liste des verbes qui demandent l’infinitif SANS TE : - les auxiliaires de mode : kunnen, moeten, mogen, willen - les verbes de perception: zien, horen, voelen
- laten, doen - komen, gaan
- blijven, helpen, leren , durven
(durven : aussi avec TE cela dépend si c’est en Flandres ou aux Pays-Bas)
Ik leer Nederlands (te) spreken.
Je wilt niet met het vliegtuig reizen.
Ik kan het doen.
Hij blijft hier slapen
Comparons le français et le néerlandais pour voir les différences et similitudes.
Entends-tu « à/de » en français ? Entends-tu « te » en néerlandais ? Barre le « à/de » et/ou le « te » quand il est inutile
Constructions infinitives Même chose qu’en français/différent du
français
Même chose qu’en français/différent du français
1. Entends-tu “à/de” et/ou “te”?
à/de
HULPWERKWOORDEN + te kunnen – moeten – mogen – willen – zullen Tom kan niet ………… zwemmen.
We zullen morgen …………vertrekken.
à/de te
leren – helpen Ik leer Nederlands ………… spreken.
Hier mag je niet ………… roken. Hij helpt de dame de straat …………
oversteken.
à/de te
beginnen – overtuigen – vergeten – vragen Het begon plots ………… regenen.
Ik heb hem ervan overtuigd een nieuwe auto
………… kopen.
Ze vergeet haar paraplu ………… nemen.
Jullie vragen met mij mee ………… komen.
à/de te
wensen – hopen – verlangen Lies verlangt ernaar een mooi cadeau voor haar verjaardag ………… krijgen.
We hopen morgen ………… komen.
We wensen naar Amsterdam …………
vertrekken.
être occupé à/être en train de te
hangen – liggen – staan – zitten * De was hing buiten ………… drogen.
Ze lag in bed ………… dromen.
Hij staat door het raam ………… kijken.
We zaten de krant ………… lezen.
à/de te
schijnen – blijken – lijken Hij schijnt gelijk ………… hebben.
Mia blijkt verkouden ………… zijn.
Elga lijkt veel pret ………… hebben.
*zonder TE in V.T.T. en V.V.T.
dubbele infinitief
Hij heeft lang voor haar huis staan wachten.
Ik heb urenlang in mijn kamer zitten studeren.
Ze had te lang liggen rusten.
Ze hebben de hele tijd staan praten.
à/de te
denken – geloven Ik denk dat ………… doen.
Bart gelooft veel geluk ………… hebben.
à/de te
- in plaats van
Werk wat meer in plaats van altijd …………
zeuren!
à/de te
zonder – om – door Hij antwoordt altijd zonder genoeg na
………… denken.
Ze kreeg geld om naar Italië ………… reizen.
Ik zal mijn best doen om gerecycleerd papier ………… gebruiken.
Door dagelijks ………… oefenen, zul je de beste in LO worden.
à/de te
Ik ben van plan
……….
Ik heb besloten
………
Ik heb beslist
………
Ik vind het moeilijk
……….
2. Te of geen te? Vul aan.
Je vindt het misschien niet zo leuk opnieuw naar school _______gaan: je wordt verplicht elke dag vroeg _______opstaan en je blijft de hele dag op een stoel _______ zitten om naar de uitleg van de leraren _______ luisteren.
Gelukkig kun je je vrienden en vriendinnen ook _______ zien. Soms durf je zelfs met hen in de klas _______ babbelen.
3. Te of geen te? Vul aan.
1. Ik heb vaak de gelegenheid mijn Nederlands _______ oefenen.
2. De wet verbiedt ons lawaai _______ maken na 22 uur.
3. Mijn job verplicht me gedisciplineerd _______ zijn.
4. Op school leerde hij sociaal _______ zijn.
5. De leraar ziet een leerling _______ spieken.
6. Het is de gelegenheid andere culturen _______ ontdekken.
7. Ik wil mijn schooljaar in Nederland _______ doorbrengen.
8. Ze doet haar vrienden vaak _______ lachen.
9. Hij ziet zijn vriend de hele dag op de computer _______ spelen.
10. Ik moet dit jaar _______ blijven _______ zitten.
4. Vul aan met het juiste voorzetsel.
1. Hij is bang ____________ spinnen.
2. Ik ben ____________plan naar Amerika te verhuizen.
3. Mijn moeder is vaak ____________ zakenreis.
4. Ben je allergisch ____________ katten?
5. Ik interesseer me niet ____________ politiek.
5. Woordenschat. Vul met de gepassen woorden in. Je moet eerst je woordenschat kennen.
1. De leraar geeft Lisa straf, want ze _____________ tijdens de les. Ze kan echt niet zwijgen.
2. Tijdens de zomervakantie _____________ we elk jaar twee weken in Italië _____________. 3. Ik heb de brief van mijn correspondent gisteren al _____________.
4. Ik zei goeiendag aan de buurvrouw, maar ze reageerde niet op mijn _____________. 5. Hij moet wel _____________ veel geld _____________ om zo’n groot huis te kunnen kopen!
6. Om naar Nederland te gaan, moet je _____________ kleren meenemen: dikke en dunne kleren, kleren tegen de regen ...
7. We zijn blij je binnenkort terug te zien: we _____________ met veel plezier _____________je bezoek.
8. Ik heb de ogen van mijn moeder, maar ik ____________ verder toch veel ____________ mijn vader.
9. Mijn zus is vannacht van een dochtertje bevallen: de naam van mijn nieuwe ____________ is Lena.
10. Een typisch Belgisch____________ is mosselen met frieten.
STAP 2
1. Want > omdat – Transformeer de zinnen als volgt (P1 + P2).
Bijvoorbeeld: Ik ben heel gemotiveerd, want ik ga op taalstage.
Ik ben heel gemotiveerd omdat ik op taalstage ga.
Je hebt veel vrienden, want je bent heel sociaal.
____________________________________________________________
De journalist stelt je veel vragen, want hij wil je leren kennen.
____________________________________________________________
Ik heb Nederlands gekozen, want het is een interessant vak.
____________________________________________________________
Ik ga te voet naar school, want ik woon dicht bij de school.
____________________________________________________________
Ik surf op internet, want ik zoek informatie over avondlessen.
____________________________________________________________
Ze hebben een goede indruk, want hun leraars zien er sympathiek uit.
____________________________________________________________
2. Je wilt je mening uitdrukken. Gebruik: “Wat mij betreft, ik vind dat …”
Bijvoorbeeld: Hij spreekt vlot Engels. > Wat mij betreft, ik vind dat hij vlot Engels spreekt.
Het reglement is te streng. >
_______________________________________________________
Ik heb goede resultaten bereikt. >
_______________________________________________________
Een uniform dragen is niet modieus. >
_______________________________________________________
3. Verbind de twee ideeën. Gebruik “omdat”.
Bijvoorbeeld: Ik volg een stage. Ik wil me verbeteren.
Ik volg een stage omdat ik me wil verbeteren.
Ik ga naar de acadamie. Ik wil piano leren spelen.
_________________________________________________________________
Ik studeer elke dag. Ik wil slagen.
_________________________________________________________________
Ik werk hard. Ik wil een mooi rapport hebben.
_________________________________________________________________
Ik gebruik skype. Ik wil met mijn gastgezin spreken.
_________________________________________________________________
Ik heb een mooi lessenrooster. Ik heb geen enkel springuur.
_________________________________________________________________
Ik ga graag naar school. De leerkrachten organiseren leuke activiteiten.
_________________________________________________________________
4. Begin elke zin met: “Hij zegt dat …”
a) Morgen zie ik mijn vrienden terug.
_________________________________________________________________
b) We verlangen naar de kerstvakantie.
_________________________________________________________________
c) De school zou later moeten beginnen.
_________________________________________________________________
Ik heb geen tijd gehad om mijn les te leren.
_________________________________________________________________
d) Mijn zus is haar nieuwe schooltas al kwijt.
_________________________________________________________________
5. Verbind de zinnen met “omdat”.
a) Ik ken niemand in mijn school. Ik ben net verhuisd.
____________________________________________________________
b) Ik ben gelukkig. Ik heb nieuwe vrienden op school.
_________________________________________________________________
c) Ik voel me erg moe. Gisteren ben ik laat naar bed gegaan.
_________________________________________________________________
d) De leraar is boos. De leerlingen hebben hun huiswerk niet gemaakt.
_________________________________________________________________
e) Hij heeft strafwerk gekregen. Hij heeft op school gerookt.
_________________________________________________________________
6. Druk je mening uit. Bevestig de volgende beweringen. Gebruik “ Voor mij / Volgens mij”.
Bijvoorbeeld: Het zal morgen regenen. > Volgens mij zal het morgen regenen.
Het reglement van onze school is te streng.
_________________________________________________________________
De leerkrachten leggen de leerstof goed uit.
_________________________________________________________________
De cursus lichamelijke opvoeding is boeiend.
_________________________________________________________________
7. Herschrijf de zinnen. Gebruik “omdat”, “voor” of “om ... te”.
1. Ik luister aandachtig naar de leraar: ik wil alles begrijpen.
____________________________________________________________
2. Vanavond ga ik niet naar de bioscoop: ik heb te veel werk.
____________________________________________________________
3. Ik verlaat het huis op tijd, anders mis ik de bus.
____________________________________________________________
4. Ik heb een cadeau gekocht. Het is de verjaardag van Lies.
____________________________________________________________
5. Ik reis veel. Ik wil nieuwe mensen en culturen ontdekken.
____________________________________________________________
6. Ik ben allergisch. Ik mag geen vis eten. >
____________________________________________
7. Ik wil een goed niveau hebben. Ik moet nog veel oefenen.
____________________________________________________________
8. U bent zeer gastvrij. Ik dank u. >
__________________________________________________
9. We gaan elke week naar het IJsselmeer. We zeilen daar.
_________________________________________________________________
10. Ik zal je een mailtje sturen. Zo krijg je meer informatie.
_________________________________________________________________
8. Je wilt je mening geven. Begin met: “Ik heb de indruk …”
Bijvoorbeeld: Hij spreekt vlot Engels. > Ik heb de indruk dat hij vlot Engels spreekt.
Het reglement is te streng. __________________________________________________
Ik heb goede resultaten bereikt. >
__________________________________________________
Een uniform dragen is niet modieus.>
________________________________________________
9. Vorm P2 met “dat” en begin de zin met: “Hij vertelt dat …”.
Bijvoorbeeld: Hij werd vriendelijk onthaald.
Hij vertelt dat hij vriendelijk werd onthaald (onthaald werd).
Hij is met de trein gekomen.
_________________________________________________________________
Ze zullen volgend jaar naar Spanje gaan.
_________________________________________________________________
Ze hebben vlug kennisgemaakt.
_________________________________________________________________
De eerste schooldagen waren aangenaam.
_________________________________________________________________
De school organiseert veel leuke activiteiten.
_________________________________________________________________
Hij is bang voor honden.
_________________________________________________________________
Ze zijn verleden jaar naar Spanje geweest.
_________________________________________________________________
Stel JOUW ideale schoolreglement in 10 punten op. Gebruik de volgende werkwoorden:
Je kan … Je mag ...
Het is toegelaten ...
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
___________________________________________________________________________
STAP 3
1. Verbind beide zinnen en bouw een hoofdzin en een bijzin. Gebruik “als”.
Bijvoorbeeld: Je studeert een nieuwe taal. Je moet veel woorden onthouden.
Als je een nieuwe taal studeert, moet je veel nieuwe woorden onthouden.
Je bent soms verlegen. Je moet voor de klas spreken.
___________________________________________________________________________
Je spreekt vlot Nederlands. Je gaat regelmatig naar zee.
___________________________________________________________________________
Je leert je woordenschat thuis van buiten. Je kunt goede resultaten halen.
___________________________________________________________________________
Je bent actief in de klas. Je beheerst de leerstof beter.
__________________________________________________________________________
Je probeert de betekenis van een woord te raden. Je luistert naar een video.
___________________________________________________________________________
Je hebt familie in Vlaanderen. Je leert vlugger Nederlands.
___________________________________________________________________________
2. De bijzin met “toen”: verbind beide elementen (P1 + P2).
Bijvoorbeeld: Ik kon bijna niets zeggen. Ik begon. > Ik kon bijna niets zeggen toen ik begon.
Ik had weinig motivatie. Ik begon in deze school.
___________________________________________________________________________
Ik vond talen nog niet interessant. Ik was 6.
___________________________________________________________________________
Ik verstond geen Zweeds. Ik ging naar Zweden.
___________________________________________________________________________
Ik leerde zwemmen. Ik was 7.
___________________________________________________________________________
. Antwoord op de vragen. Gebruik: “om … te …”.
Bijvoorbeeld: Waarom wil je Frans studeren? – naar Frankrijk gaan Ik wil Frans studeren om naar Frankrijk te gaan.
Waarom wil je Engels studeren? – in Engeland verblijven
___________________________________________________________________________
Waarom wil je Spaans leren? – naar Spanje reizen
___________________________________________________________________________
Waarom wil je Italiaans leren? – de liedjes van Ramazotti begrijpen
___________________________________________________________________________
. Druk het doel uit: gebruik “om … te + infinitief. Antwoord vrij.
Ik leer talen__________________________________________________________________
Ik wil tweetalig worden ________________________________________________________
Ik studeer mijn woordenschat regelmatig _________________________________________
Ik doe mijn best ______________________________________________________________
Ik volg de les ________________________________________________________________
Vul aan met het correcte voegwoord: als – wanneer – toen.
a) __________________ Arthur Nederlands kent, kan hij met iedereen in de zeilclub praten.
b) __________________ hij in Frankrijk leefde, leerde hij geen Nederlands.
c) __________________ Arthur bij Lisa komt, zal ze hem aan haar vrienden voorstellen.
d) Hij kan zijn laptop meenemen __________________ hij er één heeft.
Maak correcte zinnen met de gegeven woorden en vertaal het onderschikkend voegwoord.
1. je – een toets – si – quand – je – begin – hebt – leren – te – dan – ?
___________________________________________________________________________
2. lorsque – Kim, een Chinees meisje – twee jaar oud – ging – was – naar school – al – ze – . ___________________________________________________________________________
4. goede cijfers – naar de universiteit – si – wilt – halen – je – je – moet – .
___________________________________________________________________________
5. lorsque – afscheid – ze – “Doei” – ze – zeggen – nemen – in Nederland – .
___________________________________________________________________________
Vul de zinnen aan. Antwoord vrij.
Ik zal vlot spreken als __________________________________________________________
Ik kon nog niet spreken toen____________________________________________________
Ik zal een studentenjob nemen als _______________________________________________
Ik kan goede cijfers halen als ___________________________________________________
Ik kan beter spreken wanneer ___________________________________________________
Onze leerkracht Nederlands heeft ons gezegd dat___________________________________
Sinds het begin van dit jaar heb ik begrepen dat_____________________________________
Om te slagen denk ik dat _______________________________________________________
STAP4
1. Verbind beide zinnen en bouw een hoofdzin en een bijzin. Begin met “Als …”.
Bijvoorbeeld: Je studeert een nieuwe taal. Je moet veel woorden onthouden.
Als je een nieuwe taal studeert, moet je veel nieuwe woorden onthouden.
Je bent soms verlegen. Je moet voor de klas spreken.
___________________________________________________________________________
Je spreekt vlot Nederlands. Je gaat regelmatig naar zee.
___________________________________________________________________________
Je leert de woordenschat thuis van buiten. Je kunt goede resultaten behalen.
___________________________________________________________________________
Je bent actief in de klas. Je beheerst de leerstof beter.
___________________________________________________________________________
Je probeert de betekenis van een woord te raden. Je luistert naar een opname.
___________________________________________________________________________
Je hebt familie in Vlaanderen. Je leert vlugger Nederlands.
___________________________________________________________________________
2. De bijzin met “toen”. Verbind de twee elementen (P1 + P2).
Bijvoorbeeld: Ik kon bijna niets zeggen. / Ik begon.
Ik kon bijna niets zeggen toen ik begon.
Ik had weinig motivatie. / Ik begon in deze school.
___________________________________________________________________________
Ik vond talen nog niet interessant. / Ik was 6 jaar.
___________________________________________________________________________
Ik kon geen Zweeds begrijpen. / Ik ging naar Zweden.
___________________________________________________________________________
Ik leerde zwemmen. / Ik was 7.
___________________________________________________________________________
3. Antwoord ontkennend of bevestigend. Formuleer volledige zinnen.
Bijvoorbeeld:
Lees je een boek dat boeiend is? -> Ja, ik lees een boeiend boek.
1. Shop je graag in een stad die druk is? ___________________________________________
2. Is het Nederlands een taal die mooi is? _________________________________________
3. Neem je een ontbijt dat gezond is? _____________________________________________
4. Leef je in een woning die raar is? ______________________________________________
5. Is dat een voorstel dat interessant is? ___________________________________________
6. Is die verkoper sympathiek? __________________________________________________
7. Leef je in een buurt die aangenaam is? __________________________________________
8. Draag je kleren die versleten zijn? _____________________________________________
9. Is Disneyland een attractie die vaak bezocht wordt?
___________________________________________________________________________
10. Is dit een oefening die moeilijk is? ____________________________________________
11. Koop je graag iets dat duur is? _______________________________________________
12 Hebben de klanten een reactie die positief is_____________________________________
13. Is de Kalvertoren een winkelcentrum dat groot is?
___________________________________________________________________________
14. Hebben mensen een koopkracht die verminderd is?
___________________________________________________________________________
15. Had de kruidenier een functie die sociaal was? __________________________________
4. Verbuig het adjectief als het nodig is.
Bijvoorbeeld: Een rood tentje > Een rood tentje
De wekelijks consumenten > __________________________________
Vers volkorenbrood > __________________________________
Mijn nieuw wijk > __________________________________
Deze breed laan > __________________________________
Een leuk modefilm > __________________________________
De laag prijzen > __________________________________
Deze smal straat > __________________________________
Een groot warenhuis > __________________________________
Geen biologisch winkel > __________________________________
Goedkoop melkproducten > __________________________________
Een veilig straat > __________________________________
Mijn nieuw schoenen > __________________________________
Recycleerbaar kleren > __________________________________
Je oud spullen > __________________________________
Hoog hakken > __________________________________
Je bruin mantel > __________________________________
Het uitgebreid assortiment > __________________________________
Deze tijdelijk winkel > __________________________________
Overtuigd klanten > __________________________________
5. Vul aan : verbuig het adjectief als het nodig is.
De zeer bekend _______ Zeedijk is één van de oudst ______ straten van Amsterdam waar je allerlei bijzonder ______ Aziatisch ______ zaakjes en eettentjes kunt vinden. Het is echt leuk ______om daar te wandelen.
Mooi ______ kleren gaan kopen is zeker niet de enig ______ formule voor een aangenaam ______ dag. Is dat voor jou wel zo, dan ben je verslaafd ______aan shoppen.
Voor de les sociale ______ wetenschappen ben ik een oud ______ juwelier gaan interviewen.
Hij zei dat zijn gouden ______ tijd voorbij was: De heel hoog ______ prijs van het goud heeft
als gevolg dat steeds minder mensen waardevol ______ juwelen kopen: het wordt te duur ______. De mensen kopen liever zilveren ______ juwelen of goedkoop ______ sieraden.
1. De vorming van samengestelde woorden: vertaal.
Bijvoorbeeld:
Een winkelcentrum > Un centre commercial
Een studentenkamer > __________________________________
De koopkracht > __________________________________
Een stripverhaal > __________________________________
Een avondles > __________________________________
De speelplaats > __________________________________
De verkeersborden > __________________________________
De bushalte > __________________________________
De buurtwinkels > __________________________________
Een taaluitwisseling > __________________________________
2. Vertaal met een samengesteld woord.
Les rues commerçantes > __________________________________
La chasse aux bonnes affaires > __________________________________
Le magazine de mode > __________________________________
L’heure de départ > __________________________________
L’heure d’arrivée > __________________________________
L’endroit de parking > __________________________________
La carte client > __________________________________
Des marques de luxe > __________________________________
Les catégories de prix > __________________________________