• Aucun résultat trouvé

Article

N/A
N/A
Protected

Academic year: 2022

Partager "Article"

Copied!
2
0
0

Texte intégral

(1)

AC T U A L I T É

7 5 6 R . D . C . 2 0 1 5 / 7 – S E P T E M B R E 2 0 1 5 L A R C I E R

de termijn waarbinnen hij zijn onderzoek dient in te stel- len, te verlengen. Hij zou zijn onderzoek immers, in onvolledige staat, kunnen meedelen aan het Openbaar Ministerie en vervolgens zelf – met schorsing van de ver- jaring – bijkomend onderzoek kunnen bevelen dan wel speculeren op een dergelijk bevel door de kamer van inbeschuldigingstelling. En een gelijkaardige kritiek heeft het Hof op de schorsing van de verjaring gedurende het door de vonnisrechter bevolen bijkomend onder- zoek: het feit dat het aan de vonnisrechter voorgelegde strafdossier onvolledig is en door de rechter moet wor- den rechtgezet, mag de beklaagde niet benadelen.

Regels in verband met de verjaring zijn procedureregels en zijn onmiddellijk van toepassing op alle nog hangende gedingen. “Teneinde de moeilijkheden te vermijden die uit (de) vernietigingen zouden kunnen voortvloeien voor nog in behandeling zijnde of definitief beslechte strafzaken” worden de gevolgen van de vernietigde bepaling echter gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een nieuwe wetsbepaling, en uiterlijk tot 31 december 2016.

9. M

EDEDINGINGENGEREGULEERDE SECTOREN

/D

ROITDELACONCURRENCEET SECTEURSRÉGULÉS

Nathan Cambien

24

Rechtspraak/Jurisprudence

Hof van Justitie 23 april 2015

LG Display Co. Ltd en LG Display Taiwan Co. Ltd.

Zaak: C-227/14 P MEDEDINGING

Europees mededingingsrecht – Horizontale overeen- komsten – Opleggen geldboete – Verkopen aan moeder- maatschappijen

CONCURRENCE

Droit européen de la concurrence – Accords horizontaux – Imposition d’une amende – Ventes aux sociétés mères Verschillende bij het lcd-schermen kartel betrokken ondernemingen – waaronder LG Display (“LGD”), een joint-venture van LG Electronics (50%) en Philips (50%) – werden in 2010 door de Europese Commissie beboet.

LGD’s beroep tegen het Commissiebesluit werd door het Gerecht grotendeels verworpen.

In hogere voorziening bij het Hof van Justitie stelt LGD in de eerste plaats dat het Gerecht ten onrechte had geoor- deeld dat de Commissie bij de bepaling van de boete rekening mocht houden met de verkopen van LGD aan haar moederondernemingen. Het Hof stelt vast dat deze

verkopen geen interne verkopen uitmaken, nu het Gerecht terecht had vastgesteld dat LGD en haar moeder niet één onderneming in de betekenis van artikel 101 VWEU vormen. De Commissie mocht bij de bepaling van het boetebedrag dan ook rekening houden met deze ver- kopen, die zijn gerealiseerd op een markt die, volgens het Hof, is beïnvloed door het bestaan van het kartel. In dit verband is niet relevant of de betrokken verkopen zelf zijn beïnvloed door het kartel (in casu was dit niet het geval, gelet op preferentiële tarieven voor dergelijke ver- kopen, vastgelegd in de joint venture overeenkomst tus- sen de moederondernemingen).

In de tweede plaats stelt LGD dat haar ten onrechte geen gedeeltelijke boete-immuniteit was toegekend voor het jaar 2005, ondanks de bewijsstukken die zij had aange- dragen. Het Gerecht had vastgesteld dat (i) het Commis- siebesluit hoofdzakelijk was gebaseerd op de bewijs- stukken die LGD m.b.t. 2005 had aangedragen en (ii) de door LGD verstrekte inlichtingen daadwerkelijk een gro- tere bewijswaarde hadden dan de door een eerdere cle- mentieverzoeker onthulde informatie. Het Hof van Justi- tie oordeelt evenwel dat terecht geen gedeeltelijke boete-immuniteit werd toegekend. Immers, de door LGD aangebrachte informatie betrof feiten die de Commissie reeds kende (op grond van de door een eerdere clemen- tieverzoeker aangebrachte informatie).

Gerecht van de Europese Unie 20 mei 2015

Timab Industries en Cie financière et de participations Roullier (CFPR)

Zaak: T-456/10 MEDEDINGING

Europees mededingingsrecht – Horizontale overeen- komsten – Opleggen geldboete – Schikkingsprocedure CONCURRENCE

Droit européen de la concurrence – Accords horizontaux – Imposition d’une amende – Procédure de transaction Deze zaak betreft het kartel inzake fosfaten voor dier- voeder, waarvoor de Commissie zes producenten had beboet. Vijf van deze producenten werden beboet nadat zij de schikkingsprocedure hadden doorlopen. De zesde producent, Rollier Group (de verzoeker in deze zaak) had de schikkingsgesprekken echter afgebroken en kreeg een geldboete opgelegd overeenkomstig de “nor- male” administratieve procedure.

Verzoeker oordeelde dat de haar opgelegde boete (van ongeveer 60 miljoen euro) moest worden vernietigd. Tij- dens de schikkingsgesprekken had de Commissie name- lijk een lagere bandbreedte voor de boete naar voren geschoven, met een maximumbedrag van tussen 41 en 44 miljoen euro.

24. Advocaat Brussel, gastprofessor Universiteit Antwerpen, medewerker KU Leuven.

(2)

AC T U A L I T E I T

L A R C I E R T . B . H . 2 0 1 5 / 7 – S E P T E M B E R 2 0 1 5 7 5 7

Het beroep wordt door het Gerecht verworpen. Het Gerecht stelt vast dat de Commissie zowel t.a.v. verzoe- ker als t.a.v. de schikkende ondernemingen dezelfde berekeningsmethode heeft toegepast, overeenkomstig de boeterichtsnoeren van de Commissie. Het verschil in het boetebedrag opgelegd aan verzoeker is te verklaren doordat de Commissie in het kader van de normale admi- nistratieve procedure een andere gemiddelde waarde van verkopen en andere verminderingsgronden heeft in aanmerking genomen. Het Gerecht benadrukt dat de Commissie tijdens de normale administratieve proce- dure niet gebonden is door de tijdens schikkingsge- sprekken meegedeelde bandbreedte. Tijdens de normale procedure is de Commissie enkel gebonden door de pun- ten van bezwaar en dient ze bovendien rekening te hou- den met nieuwe elementen. Verder stelt het Gerecht vast dat de Commissie de zaak correct had onderzocht en geen fouten had gemaakt bij de vaststelling van het boe- tebedrag.

Rechtbank van koophandel Brussel 24 november 2014

Europese Unie / Otis, Kone Belgium, Schindler, Thyssen- krupp Liften Ascenseurs, General Technic-Otis, Kone Luxembourg, Schindler, Thyssenkrupp Ascenseurs Luxem- bourg

Zaak: A/08/06816 MEDEDINGING

Europees mededingingsrecht – Horizontale overeen- komsten – Schadevordering – Bewijs

CONCURRENCE

Droit européen de la concurrence – Accords horizontaux – Action indemnitaire – Preuve

In 2007 had de Europese Commissie vastgesteld dat diverse fabrikanten van liften en roltrappen zich jaren- lang hadden schuldig gemaakt aan inbreuken op artikel 101 VWEU. De betrokken ondernemingen wer- den hiervoor beboet. De verboden afspraken tussen de betrokken fabrikanten betroffen onder meer contracten voor het onderhoud en de modernisering van liften in o.m. België. Tijdens de inbreukperiode had ook de Euro- pese Unie dergelijke contracten met de karteldeelne- mers afgesloten. Daarom stelde de Commissie tegen de betrokken fabrikanten een schadevordering in om ver-

goeding te krijgen van de als gevolg van het kartel beweerdelijk door de Europese Unie geleden schade.

De rechtbank van koophandel wijst de vordering van de Commissie af, na eerst een prejudicieel arrest van het Hof van Justitie te hebben bekomen. In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat ze is gebonden door de inbreukbeslissing van de Europese Commissie en dat de inbreuk op het Europees mededingingsrecht ook een onrechtmatige daad uitmaakt in de zin van artikel 1382 BW, namelijk een inbreuk op een wettelijke plicht.

In de tweede plaats gaat de rechtbank over tot de beoor- deling van de schade en het oorzakelijk verband. Volgens de rechtbank dient deze beoordeling te gebeuren vol- gens de vigerende regels van Belgisch recht en dient geen rekening te worden gehouden met de bewijsver- moedens neergelegd in richtlijn nr. 2014/104, die pas in 2016 moet worden omgezet. Vervolgens benadrukt ze dat de eisende partij naar Belgisch recht aannemelijk moet maken dat zij schade heeft geleden. In casu levert de Commissie enkel indirecte bewijzen van de door haar beweerdelijk betaalde meerprijs, namelijk de beschik- king van de Commissie, de “normale gang van zaken” en deskundigenverslagen. De rechtbank stelt ten eerste echter vast dat de beschikking van de Commissie niet bevestigt dat het kartel daadwerkelijk tot een meerprijs heeft geleid voor de betrokken contracten. Ten tweede behoort het volgens de rechtbank niet tot de “normale gang van zaken” dat een marktverdelingskartel noodza- kelijkerwijze tot hogere prijzen leidt. Ten derde stelt de rechtbank dat de overgelegde verslagen van de partij- deskundige slechts op een steekproef berusten en niet voldoende aantonen en becijferen voor elk onderhouds- contract tot welke meerkost de kartelinbreuk aanleiding zou hebben gegeven. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat de Commissie evenmin het bewijs heeft geleverd van het “verlies van een kans”, namelijk van de mogelijkheid om de betrokken onderhoudsopdrachten aan een lagere prijs te gunnen. De Commissie gaat volgens de rechtbank uit van loutere hypotheses, zonder zelfs een begin van bewijs te leveren dat haar een reële kans werd ontno- men.

Dit vonnis wordt bij uittreksel in een volgend nummer gepubliceerd.

Références

Documents relatifs

tenu ,: duhS téiltemps, plusIeurs pec.sonnes~~ett~explwati paraît, pal' di~ersespe~~Qpn~~êè!le e~tindique~dansla Lussac cn a ~~rlé danssescoUl's; cêpen{la'qh'co~l11"e cHe

Het komt overeen met hetgeen is bepaald in artikel 3 (zie punten 41 en volgende). 133 In het geval van nationaliteit is, evenals in het geval van gewone verblijfplaats, het

Hoe dan ook stelt de rechtbank vast dat artikel 573, enig lid, 1° van het Gerechtelijk Wetboek de beoefenaars van een vrij beroep niet uitsluit en dat de beoefenaars van een vrij

Het hof van beroep stelt zelf op pagina 9, met overname van de redenen van de eerste rechter, vast dat het betwiste gedeelte, dat bij wijze van minnelijk kantonnement werd geplaatst

Het maximaliseren van de intraday -capaciteit lijkt niet onder de bestaande stimulans te vallen terwijl dit uitermate belangrijk is voor de markt, en zelfs aan belang

De Commissie van de Europese Gemeenschappen ver- zoekt het Hof vast te stellen dat het Groothertogdom Luxem- burg, door een bonus-malussysteem in te voeren en te hand- haven

Het Hof verwerpt de argumentatie van E.ON en stelt dat wanneer de Commissie zich baseert op bewijs dat in beginsel toereikend is om het bestaan van de inbreuk aan

Voorstel van de Europese Commissie van 30 november 2015 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd