RE C H T S P R A A K
L A R C I E R T . B . H . 2 0 1 6 / 9 – N O V E M B E R 2 0 1 6 8 5 7
H O F V A N C A S S A T I E 16 J U N I 2016
CONTINUÏTEIT VAN DE ONDERNEMING
Gerechtelijke reorganisatie – Gerechtelijke reorganisa- tie door collectief akkoord – Homologatie van het reorga- nisatieplan en rechtsmiddelen
Artikel 49/1, vierde lid WCO bepaalt dat het reorganisatie- plan geen vermindering of kwijtschelding kan bevatten van schuldvorderingen die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties. Deze bepaling heeft geen betrekking op de schuldvordering tot betaling van bedrijfsvoorheffing die verband houdt met arbeidsprestaties van vóór de opening van de procedure.
CONTINUITÉ DES ENTREPRISES
Réorganisation judiciaire – Réorganisation judiciaire par accord collectif – Homologation du plan de réorgani- sation et recours
En vertu de l’article 49/1, alinéa 4, LCE, le plan de réorga- nisation ne peut contenir de réduction ou d’abandon des créances nées de prestations de travail antérieures à l’ouverture de la procédure. Cette disposition ne concerne pas les créances de précompte professionnel dû sur les pres- tations de travail antérieures à l’ouverture de la procédure.
Belgische Staat / Freaks Hairgroup BVBA
Zet.: E. Dirix (voorzitter), K. Mestdagh, G. Jocqué, B. Wylleman en K. Moens (raadsheren) OM: D. Thijs (advocaat-generaal)
Pl.: Mrs. G. de Foestraets en H. Geinger Zaak: F.16.0022.N
I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 november 2015.
Advocaat-generaal D. Thijs heeft op 24 mei 2016 een schrif- telijke conclusie neergelegd.
Sectievoorzitter E. Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal D. Thijs heeft geconcludeerd.
II. Cassatiemiddel
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.
III. Beslissing van het Hof Beoordeling
1. Volgens artikel 49/1, tweede lid WCO mag, indien het reorganisatieplan in een gedifferentieerde behandeling van de schuldeisers voorziet, de behandeling van de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten, in begin- sel, niet minder gunstig zijn dan die welke de best behan- delde gewone schuldeisers in de opschorting genieten.
Artikel 49/1, vierde lid WCO bepaalt dat het plan geen ver-
mindering of kwijtschelding kan bevatten van schuldvorde- ringen die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties.
2. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling was de werknemers te beschermen zodat de regel uit artikel 49/1, vierde lid WCO niet ziet op de aard van de schuldvordering, maar op de hoedanigheid van de schuldeiser.
3. Het middel dat ervan uitgaat dat artikel 49/1, vierde lid WCO niet enkel de schuldvorderingen van de werknemers betreft, maar ook de schuldvordering van de eiser tot beta- ling van bedrijfsvoorheffing die verband houdt met arbeidsprestaties van vóór de opening, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
Het middel faalt naar recht.
Dictum Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 391,71 EUR.
(…)
Noot
Zie artikel Melissa VANMEENEN, in dit nummer, p. 799.