• Aucun résultat trouvé

INTERNET EN MEDIA

N/A
N/A
Protected

Academic year: 2022

Partager "INTERNET EN MEDIA"

Copied!
11
0
0

Texte intégral

(1)

DOSSIER +

INTERNET EN MEDIA

Inhoudsopgave

1. Brainstorming p. 2

2. Lezen: Generatie Internet (tekst) p. 3-4 Lezen: Generatie Internet (juist of verkeerd) p. 5 Lezen: Generatie Internet (woordenschatoef.) p. 6-9 3. Schrijven: Journalist bij De Morgen p. 9 4. Woordenschat: Vlaamse spreektaal p. 10-11

In dit hoofdstuk leer je…

- Teksten over media begrijpen

- Over media en nieuwe technologieën spreken;

- Over media en nieuwe technologieën schrijven.

(2)

1. BRAINSTORMING Ken je deze woorden?

Surfen Klikken

Sturen/zenden Opbellen

Downloaden Chatten

Ontmoeten Informatie opzoeken

Communiceren Verspreiden

Ontspannen Uitwisselen

Gebruiken

Sociaal Wettig >< onwettig Bekend Gevaarlijk >< veilig

Nuttig Virtueel

Alleen Snel

Draagbaar Frequent

Online Wereldwijd

Bereikbaar

De computer Het internet

Het scherm De internetaansluiting

Het sociale netwerk De hacker

De virus De tablet

De toegang tot De gsm = het mobieltje

Het paswoord De website

De verbinding De kennis

(3)

2.GENERATIE INTERNET

2.1 Leestekst

Internet en jongeren: zeg niet langer generatie X, maar generatie Internet.

Jongeren zijn verslaafd aan of zeer vertrouwd met het Internet. Auteurs van recente

studies aarzelen niet om de term ‘generatie internet’ te gebruiken, omdat deze jeugd er zo mee vertrouwd is om te leven met een muis en een browser.

9 jongeren op 10 surfen regelmatig op het Internet. Eenzelfde verhouding krijgen we voor de televisie. Dat is tenminste wat een recente studie van CRIOC ons leert. Hun aantal is zelfs gestegen (slechts 7 op 10 in 2003) en ze beginnen er steeds vroeger aan. Sinds 2003 is het aantal kinderen tussen 9 en 10 op het net zelfs verdubbeld. Vanaf hun negende jaar worden de surfsessies frequenter (3 tot 4 keer per week). Die frequentie neemt toe met de leeftijd, zodat het uiteindelijk een dagelijks ritueel wordt. Afhankelijk van de leeftijd en de beperkingen die door de ouders worden opgelegd, varieert de duur van 30 minuten tot meerdere uren.

Dankzij de CRIOC-studie kunnen we trouwens ook de ijverigste bevolkingsgroep onderscheiden van de minder toegewijden. De grootste ‘freaks’ van het net zouden mannelijke Vlamingen zijn die in secundair onderwijs studeren. De minder ‘afhankelijken’ zijn Waalse of Brusselse meisjes uit de lagere school.

Het gebruik van de jongeren is trouwens nauw verwant met dat van de ouders en de technische kenmerken van de verbinding en het huiselijke materiaal. De overgrote meerderheid heeft thuis een internetaansluiting, en meestal gaat het dan om een verbinding met een ‘hoog debiet’.

Welke zijn hun favoriete bezigheden?

Geen verrassingen hier, jongeren kiezen de websites heel duidelijk in functie van hun smaken en hun persoonlijke voorkeuren (spelletjes, muziek en video’s downloaden, televisie-uitzendingen, chat, enz.).Naargelang het geslacht zijn er echter wel verschillen in belangstelling. Volgens een studie die de Europese Commissie liet bestellen, ‘vertonen jonge jongens een bijna uitsluitend ludiek gedrag (onlinespelletjes en surfen voor het plezier en als tijdverdrijf)’.

De meisjes zouden echter meer aangetrokken zijn tot een relationeel surfgedrag (messaging, chatten, e-mails versturen). Met het ouder worden (vanaf twaalf jaar) wordt het gebruik bij alle jongeren gevarieerder. Ze gebruiken het net dan niet alleen meer om te chatten en mails te verzenden, maar ook om informatie op te zoeken over onderwerpen die hen interesseren, of ze surfen gewoon voor het plezier. Omdat ze meer schooltaken krijgen, zullen ze ook meer sites bezoeken met een educatief karakter.

Als er meer tijd besteed wordt op het internet, welke plaats blijft er dan nog voor de televisie? Jongeren verklaren inderdaad steeds meer op het net te vertoeven, maar toch hebben ze de afstandsbediening nog lang niet geruild voor de muis. Volgens enkele bronnen zou onze jeugd nog altijd evenveel tijd voor de buis doorbrengen (50-50). Anderen beweren dat 45% van de Belgen tussen 12 en 18 jaar zegt minder televisie te kijken dan vroeger. In ieder geval blijven

Familiarisé avec Hésiter

Augmenter En fonction de/les limites

Assidu

Les consacrés

Étroitement lié

Connection

Préférences Selon/le sexe

L’amusement

Séjourner Commande à distance

(4)

internet en televisie complementair.

Op welke manier leren ze omgaan met het net?

Dankzij de Europese studie kwamen we tot interessante conclusies wat het leerproces van het internet betreft bij jongeren. Net als de toepassing zelf lijkt het gemakkelijk om de competenties te verwerven. Het gebeurt al doende, is relationeel en ludiek, en tegelijkertijd recreatief, didactisch en pedagogisch.

In België is het aantal lessen, dat bedoeld is om de competenties van leerlingen uit het lager onderwijs te ontwikkelen, nog zeer beperkt. We stellen dan ook vast dat jongeren die toegang hebben tot het net, bijna allemaal autodidacten zijn.

Eenvoudig meekijken en spelletjes spelen enerzijds, en chatten en instant messaging anderzijds, zijn de twee meest voorkomende manieren van zelfstudie die in de enquête worden aangestipt. Ze surfen van de ene site naar de andere zonder een systematisch en georganiseerd zoekproces te ontwikkelen. Volgens de auteurs gaat het om een bijna natuurlijke, spontane en evidente activiteit.

‘Veel kinderen verklaren trouwens dat ze zich niet goed meer herinneren hoe ze eraan begonnen zijn of dat ze het vergeten zijn. Met andere woorden, ze hebben dit eigenlijk spontaan en onbewust in zich opgenomen’. De beste ‘fun’

sites en de meest ‘coole’ spelletjes worden trouwens op momenten als tijdens de speeltijd op school aan elkaar doorgespeeld. Net zoals het leren van een taal, start het proces om competenties aan te kweken dus ook op jonge leeftijd.

Een nog veelzeggender vaststelling dat jongeren zich het web zelf eigen maken, is het feit dat veel jongeren zodanig veel kennis opbouwen dat ze er zelfs meer over weten dan hun ouders. Studies wijzen overigens ook uit dat, omwille van een gebrekkige competentie of nog vaker bij gebrek aan tijd en middelen, ouders geen erg strikte beperkingen opleggen. Integendeel zelfs, vaak zijn het de kinderen die aan de basis liggen van de beslissing om een internetaansluiting te nemen.

Jongeren lijken dus zelf het voortouw te nemen in deze nieuwe en onbegrensde ruimte waarin iedereen vrij is om te gaan waar hij wil en te communiceren en zich uit te drukken op zijn manier.

Dit is de marketeers natuurlijk niet ontgaan. Zij gebruiken deze nieuwe kanalen (inclusief de mobieltjes) steeds meer om jongeren te bereiken. Omwille van hun interactiviteit kunnen deze media een nieuwe dimensie toevoegen aan het begrip reclame. Door sites of blogs op maat aan te maken hopen ze de verwachtingen van jongeren beter te kunnen omlijnen en eraan te beantwoorden.

Toch moeten we ook enig voorbehoud maken. ‘Niet alle jongeren nemen een onderzoekende of deelnemende houding aan ten opzichte van het web.’ Een goed voorbeeld is het gebruik van het chatten. De meeste jongeren werken in kleine gesloten kringen, en communiceren slechts met een beperkt publiek. De enquête lijkt dit ook te bevestigen: ‘Ondervraagd over de problemen en risico’s die ze op het internet of met de gsm lopen, verklaren jongens dat ze goed geïnformeerd en zich ervan bewust zijn’. Het lijkt dus toch niet zo eenvoudig om hen te benaderen.

(www.digimedia.be — Olivier De Keyzer —2 november 2007)

Acquérir

Développer/

Limité

Effleuré

Passé/cultiver, développer

En dépit de

Imposer

Prendre l’initiative

Échapper, oublier

Les attentes Délimiter

À l’égard de

Aborder

(5)

2.2 Antwoord met juist of verkeerd. Verklaar.

1. Televisie is nog steeds populairder bij de jeugd dan het internet.

________________________________________________________________________

2. De leeftijd heeft veel invloed op het internetgebruik van de jongeren.

_______________________________________________________________________

3. Dankzij een groot aantal ouders gaan veel jongeren niet elke dag op het internet.

________________________________________________________________________

4. Meisjes surfen evenveel als jongens.

________________________________________________________________________

5. Hoe meer de ouders surfen, hoe meer de kinderen het internet gebruiken.

________________________________________________________________________

6. Meisjes hebben dezelfde activiteiten op het internet als jongens.

________________________________________________________________________

7. Hoe jonger de internetgebruiker is, hoe meer spelletjes hij speelt.

________________________________________________________________________

8. Het zijn vooral oudere tieners die het internet gebruiken voor hun schooltaken.

________________________________________________________________________

9. Door het groeiende internetgebruik wordt er nu minder naar televisie gekeken.

________________________________________________________________________

10. De school biedt de leerlingen zodanig veel lessen dat ze het internet zeer goed beheersen.

________________________________________________________________________

11. Jongeren leren veel dankzij de spelletjes.

________________________________________________________________________

12. Hoe vroeger je met het internet begint, hoe vlugger en hoe gemakkelijker je met de computer omgaat.

________________________________________________________________________

13. Ouders zijn niet altijd bevoegd om de internetproblemen op te lossen.

________________________________________________________________________

14. Het internet is een goed middel voor de bedrijven om de jongeren aan te trekken.

________________________________________________________________________

15. Veel jongeren chatten met onbekende personen.

________________________________________________________________________

16. Jongeren kennen niet altijd de gevaren van het internet.

________________________________________________________________________

(6)

2.3 Spreekactiviteit – Een stap verder

1. Surf je vaak op het internet? Wat doe je op het internet?

________________________________________________________________________

________________________________________________________________________

________________________________________________________________________

2. In de tekst spreken ze over een verschil tussen het surfgedrag van de meisjes en dit van de jongens. Hoe leg je dat uit?

________________________________________________________________________

________________________________________________________________________

________________________________________________________________________

3. Wat zijn de voor- en nadelen van het internet? Verklaar.

________________________________________________________________________

________________________________________________________________________

________________________________________________________________________

2.4 Woordenschatuitbreiding

Hieronder vind je allerlei woordjes of structuren die vaak gebruikt worden in de spreektaal (in het midden van de zin of om een zin te beginnen).

Lees deze woorden aandachtig en probeer ze in een zin te plaatsen.

- Wel

- Kijk

- Laat ons zeggen dat

- Ik zal je het volgende zeggen

- Dus

- Eigenlijk

- Het is te zeggen dat - Ja

- Nou

- Goed zo - In ieder geval - En dus

- Zeker weten - Uiteraard - Inderdaad

(7)

2.5 Woordenschatoefeningen

A. Vul het juiste substantief in

Kies het juiste substantief. Let op: je moet eerst de woorden vertalen.

La majorité – le goût – la source – la cible – la connexion – l’usage – la préférence le paysage – la commande à distance – le fossé – le manque

1) In ons land wordt de _________________ tussen armen en rijken steeds groter.

2) Ik kan niet langer zappen omdat ik mijn _________________ kwijt ben.

3) Die groenten hebben geen _________________.

4) In de Ardennen zijn er echt mooie _________________.

5) Om een wet in het parlement goed te keuren heb je een _________________ nodig.

6) Om die zaak op te lossen moet je eerst de _________________ van de problemen kennen.

7) Ik kan niet langer op het internet surfen, ik heb een probleem met mijn internet_________________.

8) Het _________________ van de gsm is verbonden in de klas.

9) Waar gaat je _________________ naar?

10) Voor je een nieuw product op de markt brengt, moet je eerst je _________________

kiezen.

B. Vul het juiste voorzetsel in

1) Ik weet er niet veel ______.

2) Ik kan mijn Nederlands niet leren bij gebrek ______ tijd.

3) Ik heb geen toegang meer ______ het net, misschien is er een probleem met mijn internetaansluiting.

4) Hij begon te roken ______ jonge leeftijd.

5) Ik leer wat Spaans ______ mijn plezier.

6) Ben jij vertrouwd ______ het internet?

7) Hij werkt 30 minuten ______ 45 minuten per dag voor zijn Nederlands.

8) Ik heb er niets ______ toe te voegen.

9) In zijn land wordt hij ______ een held beschouwd.

10) Iedereen mag dat doen ______ zijn eigen manier.

(8)

C. Vul het juiste werkwoord in

Kies het juiste werkwoord. Let op: gebruik de juiste vorm.

Omgaan – besteden – onderscheiden – opleggen – lopen – opletten – uitdrukken – toevoegen bestellen – vertonen – verwerven – bevestigen – aarzelen – opzoeken – opzetten – opnemen

aantrekken – beschikken – verzenden - opbouwen

1) Hij kan zich zeer goed in het Nederlands _________________.

2) Je mag me vertrouwen, je _________________ geen enkel risico.

3) Ik zal die informatie op het net proberen _________________ te _________________.

4) Hij _________________ veel tijd aan zijn kinderen.

5) Hij _________________ dezelfde symptomen als die andere patiënt.

Ik denk dat hij in het ziekenhuis moet worden _________________.

6) Hij _________________ over de nodige competenties om dat instrument te gebruiken.

7) Ik zal je onze afspraak per mail _________________.

8) _________________ niet om mijn hulp te vragen als je mij nodig hebt.

9) Steeds meer senioren kunnen nu ook zeer goed met de computer _________________.

10) De politie heeft strenge maatregelen _________________ om de incidenten te vermijden.

11) Om op te vallen moet je je van de anderen _________________.

12) Wanneer heeft hij zijn blog _________________?

13) Hij zal een opleiding volgen om meer kennis _________________ te _________________.

14) Heb je die brief al _________________?

15) Dat is een superpromotie, ik ga dat product onmiddellijk _________________.

D. Verklaar in het Nederlands

1) Deze problematiek is mij niet ontgaan.

2) Hij heeft een gebrekkige kennis.

3) Hij is vertrouwd met het internet.

4) Dat zijn veelzeggende resultaten.

5) Ik hoop de verwachtingen van jongeren beter te kunnen omlijnen.

E. Hoe zeg je het volgende?

1) Dis que tu ne te rappelles pas très bien quelque chose.

2) Dis que les enfants commencent de plus en plus tôt avec internet.

3) Dis que tu apprends l’internet sur le tas, c’est-à-dire en testant des choses par toi-même.

4) Dis que tu es conscient des dangers d’internet.

5) Dis que tu souhaites une solution sur mesure.

6) Dis que tu n’as pas de connexion internet à la maison.

7) Dis que le problème n’est apparemment pas si simple.

8) Dis que tu regardes moins la télévision qu’avant.

(9)

F. Maak van twee zinnen één nieuwe zin met behulp van het onderstaande woord, zonder de betekenis te veranderen

1) Om met de computer te leren omgaan, moet je er zo snel mogelijk aan te beginnen. Dat is hetzelfde om een taal te leren.

Net zoals __________________________________________________________

__________________________________________________________________

2) De meeste jongeren gebruiken het net om te chatten. Dat bevestigt een enquête.

Volgens ____________________________________________________________

__________________________________________________________________

3) Jongeren kiezen verschillende sportactiviteiten. Dat hangt natuurlijk af van het geslacht van de tieners.

Naargelang _________________________________________________________

__________________________________________________________________

4) Ik zal meer klanten aantrekken. Dat zal gebeuren als ik meer publiciteit maak.

Door te ____________________________________________________________

__________________________________________________________________

5) Ik heb enorm veel kennis verworven in het Nederlands. Als gevolg daarvan beschouw ik me nu als tweetalig.

Zodanig veel ________________________________________________________

__________________________________________________________________

3. SCHRIJFACTIVITEIT

SITUATIE: Je werkt als journalist bij “De Morgen” en je moet een artikel in verband met de nieuwe technologieën schrijven. Je baas heeft je de sleutelwoorden van het verhaal gegeven…

maar je weet niet meer precies wat er gebeurt…

TAAK: Schrijf een artikel waarin je gebruik van de volgende woorden/uitdrukkingen maakt.

- Benjamin - Jongeren - Moeder - Arts - Scouts - Coma - Ziekenhuis - Drugs

- Controle - Ochtend - Agressief - Computer - Gewelddadig - Spelen - Leven - verliezen

De tekst zal minimaal 150 woorden tellen. Er moet ook een titel aan het artikel worden gegeven.

(10)

4.1. Nieuwe gsm

a) Lees de onderstaande dialoog.

Joris Hey, hebt ge ne nieuwe gsm? Eindelijk gegaan voor ne smartphone?

Magda Ja, den oude heeft het begeven. Na 6 jaar.

Joris Ja, zo maken ze ze niet meer. Tegenwoordig is alles gemaakt om kapot te gaan.

Magda Ik hoop toch dat ik niet te rap terug naar de winkel moet. Dat kiezen was een hel, met al die merken en modellen. Ik ben daar echt niet in thuis.

Joris Ja, dat kan ik geloven.

b) Vind synoniemen voor volgende woorden in de dialoog.

- Hij heeft de ziel gegeven:

- het was verschrikkelijk:

- Dezer dagen:

- Snel:

- Ik ben er niet mee vertrouwd:

- Stukgaan:

4.2. Technologisch jargon

Dubbelklikken, opslaan, invoegen, bestand, map, lettertype, bewerken, kopiëren, plakken, knippen, rechtermuisknop, sluiten, ongedaan maken, selecteren, scannen, scrollen, tabbladen, homepagina, venster, snelkoppeling, instellingen, wifi, paswoord, inloggen

a) Als ik mijn browser open, zie ik mijn ……….. .

b) Om jouw profiel te ……….., moet je op het potloodje klikken.

c) Met ctrl-Z kan je jouw voorgaande actie ……… .

d) Met ctrl-C kan je tekst ………, waarna je de tekst kan ……….

met ctrl-V.

e) Op Mac-computer heb je geen ……….. . f) Ik heb verschillende ……… in Firefox.

g) Om ………….. te ………., moet je jouw ………. ingeven.

h) Is er een probleem met de ………..? Ik geraak niet op het internet.

i) Je kan een ……… maken op jouw bureaublad om de map sneller terug te vinden.

j) Met de “x” in de rechterbovenhoek kan je het ……… ………. . k) Calibri is een ………. .

l) Om een afbeelding ………. te ……….. in Word kan je online zoeken, of je kan een ………. van jouw computer uploaden.

4. VLAAMSE SPREEKTAAL

(11)

m) Met ctrl-X kan je de tekst, die je hebt ………., ……….. . n) Met ctrl-S kan je jouw bestand ………. in een ……… . o) Om het programma te openen, moet je ……….. op het icoontje.

p) Kan je de papieren ………. en per mail doorsturen?

q) Kan je naar beneden ……… ?

r) Misschien moet je iets aanpassen in jouw ……… . Kan je naar het configuratiescherm gaan?

4.3. Hoe noem je deze voorwerpen?

1. 2. 3.

4. 5. 6.

7. 8. 9.

10. 11. 12.

13. 14. 15.

16. 17. 18.

Références

Documents relatifs